4 eieren
4 lepels melk of bouillon
zout, peper
20 g boter of margarine

De eieren los, maar niet schuimig kloppen met zout, peper en per ei een
lepel melk of bouillon.
In een koekenpan (met een middellijn van circa 20 cm) de boter of margarine
smelten, de eimassa toevoegen en op een vrij warm vuur de omelet bakken.
Telkens het gaar geworden deel losscheppen van de bodem en vloeibaar ei
over het vrijgekomen deel van de panbodem laten lopen.
Deze bewerking zolang herhalen tot zich nog juist voldoende eimassa in de
pan bevindt om van het geheel een mooie omelet te vormen.
De omelet aan de andere zijde zeer licht bruin laten bakken, in twee‰n of
drie‰n dichtslaan en op een verwarmde schotel opdoen.

Als variaties kan men de eimassa vermengen met fijngesneden ham, bacon,
spek of andere vleeswaren, geraspte of in blokjes gesneden kaas,
fijngehakte groene kruiden, plakken tomaat, champignons, in blokjes
gesneden brood of koude aardappelen.

Men kan de omelet vullen met b.v. gesmoorde tomaten, gemengde soepgroenten,
of met een rago–t van vlees, lever of nier, vis, garnalen, cantharellen of
champignons.